Bernard Kiliaan

Ik ben met mijn gezin in 1958 naar Nederland gekomen. Op de dag van onze aankomst zijn wij eerst ondergebracht in pension Smolders in Budel. We zijn om tien uur 's avonds aangekomen en kregen een klein kamertje met een potkachel. We hadden een zoontje Andre en mijn vrouw was in verwachting van de tweede. In het pension kregen we brood met suiker. Op een gegeven moment zei ik tegen mijn vrouw: "Ik breng je voorlopig bij mijn moeder in Gemert en ga zelf terug naar Breda. We hebben permissie van DMZ (Dienst Maatschappelijke Zorg) en van mevrouw Smolders de pensionhoudster." Ik weet niet meer wat de trein kostte, maar wel dat het hondenweer was met sneeuw en hagel. Ik had mijn winterjas aan, daarover een regenjas en nog had ik het koud. Mijn vrouw heb ik in Gemert afgezet en ik ben teruggegaan naar Breda. Toen kreeg ik van DMZ te horen, dat zij ons had uitgeschreven, omdat wij zomaar zouden zijn weggegaan. Ik ben toen vreselijk kwaad geworden. Na drie maanden kreeg ik een briefje van mevrouw Smolders. Lieve meneer Kiliaan, wilt u deze rekening betalen. Ik was daar drie maanden in huis geweest en dat kostte me zoveel. Toen heb ik die rekening naar mr. Klompé gestuurd, minister van Sociale Zaken, met een begeleidende brief van mij. Uiteindelijk kreeg ik in 1959 een TA-verklaring (Tijdelijk Afwezig). 

Wij woonden met zijn velen bij mijn moeder in de Prior Davidtstraat. Ik werkte bij de Vlisco textielfabriek in Helmond en wij zouden een huis krijgen in de Bisonstraat tegenover familie Op 't Eijnde. Op een gegeven moment werd dat bewoond door iemand anders. Ik naar gemeenteambtenaar Van de Vossenberg. "Sorry", zei hij. "We hebben het huis al gegeven aan een urgent geval." "Maar ik ben toch ook een urgent geval", antwoordde ik. Toen kreeg ik het huis hier aan de Jan van Amstelstraat. Het was toen nog in aanbouw. Op een gegeven moment moest ik bij de winkel Willemsen een buis kopen om een pedaal van mijn fiets recht te kunnen zetten. Op de terugweg ben ik meteen langs het gemeentehuis gegaan om te informeren wanneer ik de sleutel kreeg van het huis. Toen zij mij zagen met die ijzeren staaf, hebben ze me direct de sleutels gegeven.

Mijn overgrootvader Jan Jacob Kiliaan is vanuit Nederland naar Indië gegaan. Hij is ook de grootvader van meester Eugene Kiliaan. Wij zjin dus afstammelingen van Nederlanders en ook van Duitsers. In Indië waren wij Nederlanders. Toen de Nieuw-Guineakwestie speelde, werden alle Nederlanders geboycot en moesten we het land verlaten. Ik was bij de politie geweest en ik was in militaire dienst geweest. Ik was daar geweermaker en ook wapeninspecteur. Dus moest ik naar diverse afdelingen, ook bij de KST, Korps Speciale Troepen, de rode baretten. Daar ben ik ingedeeld. Toen ik gediplomeerd was in Semarang werd ik gescreend voor emigratie. Ik heb alle papieren overgelegd. Toen met de Nieuw-Guineakwestie, ergens in januari, kwamen ze naar me toe of ik mee wou komen. Naar de emigratie. Daar zeggen ze: "U bent militair geweest, u bent politieman geweest." Ik zeg: "Dat klopt. Dat is allemaal al gescreend." Nou, toen moest ik het land verlaten binnen enkele dagen. Waar haal je het geld vandaan, ja. Dus was ik naar het consulaat gegaan, naar het commissariaat. Ik moest binnen twee dagen het land verlaten. Ik vroeg: "Waar haal ik geld vandaan om naar Nederland te gaan?" Ik kreeg toen een rijksvoorschot. Moest ik later wel terugbetalen. Binnen twee dagen was ik het land uit. Op 28 januari 1958 ben ik vertrokken. Wij hebben alles achtergelaten en weggegeven. In 1950 kon ik niet weg. Mijn moeder zat er nog. Zij vertrok in 1957.